Rob Hoogland: ‘Laat mij maar langs de zijlijn roepen’

Lezers mailen: ‘Rob, je gaat toch niet weg?’ Welnee, ik ga alleen maar met pensioen, na 39 jaar en 11 maanden bij de Telegraaf. Maar ik blijf schrijven. Hoofdredacteur Paul wil dat, ik wil het ook. Ik verlaag wel de frequentie van zes columns per week naar drie. Mijn stukkies zijn er vanaf nu op didoza. Dinsdag, donderdag en zaterdag.

Ben ik de vijfenzestig gepasseerd, mentaal voel ik me een jonge hond van veertig. Ik wil meedoen, de getapte jongen uithangen. Die column is mijn stamtafel. Ik voer het hoogste woord en niemand die me ongelijk geeft. Achteraf wel, vooral op Twitter krijg ik soms lik-op-stuk.

Maar ik krijg ook complimenten. Zegt een barmedewerker tegen mijn collega Joris  – onwetend van diens baan bij De Telegraaf – dat Johan Cruijff zijn grote held is, maar dat ik zijn onbetwiste nummer twee ben omdat, ik citeer, ‘Hoogland iemand is die zegt hoe het is’. En dat hij hoopt dat ik op een dag zijn café binnenstap om een krabbel in zijn exemplaar van mijn boek De Grote Hoogland te zetten. Binnenkort ga ik een biertje bij hem drinken. Ik ben wel effe de grootste van zijn levende helden, hè!

Jennen

Mezelf neem ik niet al te serieus, mijn mening vormt zich schrijvend. Kan best zijn dat ik over twee weken precies het omgekeerde beweer, al is dat bij mijn weten nooit gebeurd.  Ik schrijf om te jennen, de kast kan me niet hoog genoeg zijn. Het gevaar van ironie is wel dat mensen het niet vatten. Vooral op links ontbreekt het aan humor.

In mijn hoofd ben ik altijd met mijn column bezig. Maar na 7000 stuks ben ik ook relaxed als ik eind van de middag nog geen flauw idee heb waarover het moet gaan.

Komma’s

Ik tik mijn column in tweeëneenhalf uur en dan ben ik nog een uur aan het priegelen met puntjes en komma’s, schuiven met woordjes. Maniakaal perfectionistisch voor de slordige chaoot die ik eigenlijk ben. Laatst stond er twee keer ‘maken’ in één krantenzin, dan trek ik wit weg.

Ik was ooit sportverslaggever en eindredacteur. Het idee om columns te gaan schrijven, kwam nooit in mij op. De toenmalige hoofdredactie bedacht het. Ik ben blij dat ik het ben en blijf. Zeker nu De Telegraaf beter is dan ooit.

Eigenlijk heb ik nooit een speciale lezer voor ogen. Of het moet Riet zijn, al meer dan 25 jaar onze trouwe hulp. Ik luister naar haar en kijk naar wat zij leest. Ik meng me graag tussen wat hier en daar bijna denigrerend ‘het gewone volk’ wordt genoemd. Daar voel ik me thuis.

Snuffelen

Op straat merk ik wel dat ik bij het gilde Bekende Nederlanders hoor. ‘Hoi Rob’, klinkt het dan. BN’ers herkennen mij ook. Dat zij me lezen, daar stond ik eigenlijk nooit bij stil.

Mark Rutte heeft mij een keer aangehaald. In de formatietijd zei hij dat partijen eerst aan elkaar moesten snuffelen. Beeldspraak, maar voor mijn geestesoog zag ik partijleiders als loopse vullisbakkies aan elkaar ruiken. Voer voor een column dus. Op de vrijdagse persconferentie werd Rutte gevraagd hoe het met het snuffelen ging. De premier zei dat hij  er niets meer over zei omdat hij niet wéér het mikpunt van Hooglands spot wilde zijn. Lachen!

Ach, politiek. Ik heb tijdens een lunch met een paar volksvertegenwoordigers wel eens het idee gehad dat ze me zaten te polsen. Dat nooit. Laat mij maar langs de zijlijn roepen. Als beste stuurman, haha!

 

 

Meest recente berichten

Recente reacties

    Archief

    admin Geschreven door:

    SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *