Sophie Kluivers: ‘Ik duik onder het afzetlint door…’

 

Vijf kwartier heb ik om me te melden op Schiphol. En ik moet vanaf de krant nog langs huis want ik heb mijn paspoort niet bij me. Stom-stom, dat overkomt me nooit meer. Ik bel mijn vriend en vraag hem om een koffertje voor drie dagen voor me te pakken.

Standby

Cruijff is overleden, onze correspondent in Spanje is net op vakantie in Nederland, en alle vluchten naar Barcelona zitten tot de laatst stoel vol. Door een vriend bij een luchtvaartmaatschappij laat ik me op de standby-lijst zetten. Moet ik wel uiterlijk een half uur voor vertrek mijn paspoort inscannen, zegt hij, anders ga ik van die lijst af.

Ik scheur weg, in mijn straat gooit mijn vriend van tweehoog mijn koffertje en paspoort naar beneden. Niet denken aan snelheidscontroles, vol gas naar Schiphol. Daar weet ik gelukkig de weg, door de aanslagen in Brussel zat ik er deze week al twee keer eerder. Ik stal de auto dichtbij, het wordt duur parkeren, en sprint naar binnen. Mijn jas met één mouw aan, handtas en laptoptas bungelen om me heen. Op tijd, precies 33 minuten voor vertrek.

Hartslag

Met een hartslag van honderdtwintig en totaal bezweet arriveer ik bij de gate. Ha, bekenden! Twee Telegraaf-collega’s van de videoploeg en twee man van de NOS staan ook op de standby-lijst. Ik mag als enige mee. Video-verslaggever Kamran duwt me nog gauw een microfoon en camera in handen: ‘Draai vast wat!’

Op een klapstoeltje in het vliegtuig hijg ik uit. De stewardess, misschien wel Cruijffs allergrootste fan, draagt bekertjes water aan. Ze vertelt waar ik moet zijn, dat de Spanjaarden Chupa Chups-lolly’s neerleggen bij Camp Nou. Dat geeft me een voorsprong. Het eerste verhaal ter plaatse is snel rond. Typen! Af voor de deadline. Als ik die avond laat mijn koffertje openmaak, zie ik schaterend dat mijn vriend de ondergoed lade heeft omgekiept. Bovenop liggen zeven beha’s. De hotelreceptie heeft gelukkig een tubetje tandpasta voor me.

Moed

Zonder het onverwachte van dit werk, die adrenaline-boost, zou ik niet kunnen. En ook niet zonder de afwisseling. Van de plaats-delict naar de paaldansstudio. Van de rechtbank naar zomerzanger Jody Bernal.

Ik deins nergens voor terug, maar soms kost het me moeite aan te bellen. Voor een reconstructie-reportage van de babylijkjesvondst in Heerhugowaard, moet ik naar de bewoonster – niet de moeder – van het huis waar ze lagen. Dit ligt gevoelig en ik weet dat zij niet happig is op publiciteit. Raap ik al mijn moed bijeen, sta ik zenuwachtig, want wat moet ik zeggen, voor de deur, wordt die opengedaan door een Syrisch gezin dat er sinds een week woont en van niets weet…

Buren

Is er in Haarlem een lijk gevonden, moord op het industrieterrein. Helaas zijn er weinig buren om mijn licht bij op te steken. Verderop staat één woonhuis, maar de politie heeft honderden meters straat afgezet met rood-wit lint. Ik mag er niet door,  onzin, want ik hinder geen sporenonderzoek. Het is een beetje sporten. Als de aandacht van de agenten verslapt, duik ik onder het lint door en maak een praatje met de bewoner. Ziezo!

Mijn werkdag is nooit voorspelbaar. Ik vind het mooi om van niets te vertrekken, puzzelstukjes te verzamelen en op de redactie terug te komen met een prachtverhaal. En dan weer op naar het volgende!

Meest recente berichten

Recente reacties

    Archief

    Marie-Thérèse Roosendaal Geschreven door:

    SCHRIJF ALS EERSTE EEN REACTIE

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *